Altijd vluchten

  • Home
  • Informatiepagina's
  • Altijd vluchten

In augustus 2021 verscheen mijn tweede spannende jeugdboek met een historische achtergrond:



Amsterdam, 1820

Ze keken nog een keer de woning rond, maar ze zagen niets meer wat het nog waard was om mee te nemen. Pa zette zijn hoge hoed op. Ze klommen de trap op naar buiten. Andries trok de deur achter zich dicht. De klik van het slot gaf hem een goed gevoel. Hij hoopte met heel zijn hart op een beter leven in de koloniën.

Met een zieke moeder en een vader die al hun geld opzuipt, is het leven van Andries niet makkelijk. Hij hoopt dat alles beter zal worden als hun gezin de kans krijgt om opnieuw te beginnen in een kolonie in Drenthe en Overijssel. Het valt flink tegen voor Andries. Het leven is daar keihard. Andries moet spitten tot zijn handen ervan bloeden. Zijn vader brengt hen telkens in de problemen, waardoor ze nooit lang op dezelfde plek kunnen blijven. Maar waarvoor vluchten ze? Wat is er vroeger gebeurd? Zal het Andries en zijn familie lukken om af te rekenen met het verleden en eindelijk ergens écht opnieuw te beginnen?

Het verhaal begint zo:
Andries Vooys staat op het dek van het zeilende vrachtschip Anna Jacoba. Hij hangt met zijn bovenlichaam over de reling van het schip. Zijn vingers raken net het zwarte water. De kou tintelt door zijn hele arm. Zijn hand trekt een spoor in het oppervlak.
Benedendeks valt ergens met een klap een luik dicht. Andries schrikt, haalt snel zijn hand uit het water en houdt even zijn adem in. Zijn ogen speuren over het dek. Er is niemand. Iedereen schuilt voor de fijne regen. Andries laat zijn adem weer ontsnappen en gaat met zijn rug tegen het laadruim op het verlaten dek zitten. Het water doordrenkt zijn broek, maar dat kan hem niets schelen. Eindelijk even helemaal alleen.
De hemel hangt als een zwarte, zware deken over de Zuiderzee. Door het slechte weer zijn er geen maan en sterren. Ze zijn al te ver van Amsterdam om de lichten van de haven nog te zien en de overkant is ook nog niet in zicht. De zeilen staan niet bol, want er is niet heel veel wind, maar het is net voldoende om ervoor te zorgen dat ze niet klapperen.
Andries haalt met diepe teugen de frisse, ziltige lucht binnen en geniet van de stilte die hier oorverdovend is. Het enige geluid dat je hoort is het klotsende water tegen de romp van de boot en als je heel goed luistert, dan hoor je ook gemurmel van de stemmen van de mensen die nu benedendeks en in de roef een plekje hebben gezocht. Hij heeft begrepen dat de overtocht de hele nacht zal duren. De rust van de nacht daalt over hem neer en zijn hartslag wordt eindelijk weer normaal. De hele dag zijn hij, zijn vader en zijn zusje opgejaagd en van hier naar daar gestuurd. Op de kade duwde een vent hem hard in zijn rug, om maar als eerste op de loopplank te zijn en aan boord te gaan. Overal jammerden kinderen, er werd aan armen getrokken, gevloekt en geschreeuwd. En nu zijn ze dan eindelijk onderweg. De reis mag wat Andries betreft een hele week duren. Als ze eenmaal aan de overkant zijn, zal het geduw en getrek vast weer opnieuw beginnen.
Andries trekt zijn knieën op. Door de regen is zijn blonde haar kletsnat geworden en het hangt in slierten in zijn ogen. Toch wil hij nog even zo blijven zitten. Het liefst zou hij helemaal nergens aan denken, zijn gedachten net zo tot rust laten komen als zijn hartslag en ademhaling. Maar hij weet dat het niet gaat lukken. Daarvoor is er de laatste twee weken te veel gebeurd in zijn leven.
 

Share our website